Opinie Karla Basselier: “Verhoogde antidumpingrechten bedreigen Belgische textielbedrijven”

Sinds mei 2023 heeft de Europese Commissie de antidumpingrechten op High Tenacity Yarn Polyester (HTYP) – polyestergarens met hoge sterktegraad, een onmisbare grondstof voor technisch textiel – fors verhoogd. Deze maatregel, bedoeld om dumping tegen te gaan, treft vooral Belgische weefselproducenten en zet hun concurrentiepositie zwaar onder druk.
Europa wil zich terecht beschermen tegen oneerlijke marktpraktijken, maar deze beslissing werkt als een boemerang: ze verzwakt onze eigen industrie in plaats van dumping effectief te bestrijden. Belgische bedrijven, die wereldwijd bekendstaan om innovatieve en hoogwaardige technische textielproducten, krijgen hierdoor een structureel nadeel. Laat het me even toelichten.
Van Europese productie naar Chinese dominantie
Tot begin jaren 2000 konden Belgische weverijen zich bevoorraden bij Europese spinnerijen. Toen die HTYP-productie verdween, nam China het roer over. Met moderne fabrieken en Europese technologie groeide China uit tot dé wereldspeler. In 2010 voerde Europa voor het eerst antidumpingrechten in, maar die waren te laag (5,1% tot 9,8%) om de trend te keren. Het gevolg? Een massale verschuiving van productie naar China. In 2023 werden de rechten verhoogd tot 6,9%–23,7%, maar dat lost het kernprobleem niet op.
Vandaag is China veruit de grootste leverancier van HTYP. Binnen Europa is het aanbod versnipperd en onvoldoende om de markt te bedienen. Belgische bedrijven hebben dus geen realistisch alternatief van vergelijkbare kwaliteit en prijs. De hogere rechten creëren kunstmatige schaarste, terwijl de oorspronkelijke doelstelling – dumping tegengaan – nauwelijks wordt bereikt.
Impact op Belgische bedrijven
Technische textielbedrijven opereren in een internationale markt waar marges onder druk staan en innovatie cruciaal is. Ze leveren voor sectoren zoals bouw, automobiel, medische toepassingen, infrastructuur en defensie. Voor al deze toepassingen is HTYP essentieel. Als die grondstof duurder en moeilijker verkrijgbaar wordt, verliezen bedrijven hun troeven: kostenefficiëntie, flexibiliteit en innovatiekracht. Prijsstijgingen kunnen niet zomaar doorgerekend worden aan klanten die wereldwijd alternatieven hebben.
Door enkel garens te belasten, treft Europa vooral de eigen Europese verwerkende industrie. Afgewerkte producten – zoals Chinese weefsels met hoge sterktegraad – blijven massaal binnenstromen, vaak tegen prijzen die lager liggen dan de garenprijs. Bovendien komen er weefsels uit Vietnam en Zuid-Korea, landen met vrijhandelsakkoorden met de EU, maar nauwe banden met Chinese garenproducenten. Niet-EU-weverijen kunnen garens nog steeds zonder rechten inkopen, wat hen een voordeel geeft. Het resultaat? Niet de Chinese industrie wordt afgeremd, maar de Europese textielsector wordt afgestraft.
Coherent handelsbeleid voor volledige waardeketen
Wat moet er gebeuren? De Europese Unie moet al in een vroeg stadium een grondige analyse maken van de impact van voorgestelde antidumpingmaatregelen op de volledige waardeketen. Een heffing op slechts één deel van de productieketen verstoort het evenwicht, zoals duidelijk is gebleken bij polyestergarens. Tijdens eerdere informatierondes hebben betrokken partijen expliciet op dit risico gewezen. Het is fout om te stellen dat later nog antidumpingmaatregelen op vervolgproducten moeten en kunnen worden aangevraagd: dergelijke procedures vergen veel tijd en geld en kunnen intussen cruciale Europese schakels ondermijnen, waardoor de industrie verder verzwakt ten voordele van Chinese import. In de Verenigde Staten wordt in zulke gevallen doorgaans de volledige waardeketen onder antidumping geplaatst en nadien bijgestuurd indien nodig, in plaats van pas in te grijpen wanneer de schade al is aangericht.








